“[...] Toen ik de liefde ontdekte, was ik geen volslagen groentje meer; ik wist al dat er verschillende menu’s waren, dat er een snelweg was en schilderachtige toeristische routes en afgelegen paadjes waar nauwelijks iemand een voet had gezet. En er was een toegestaan dat bijna verboden was en een verboden dat bijna toegestaan was. Enzovoort, enzovoort.”

In: Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis, pp.31-32.

[...] Op deze plaats deden we allebei, als ware het een stilzwijgende overeenkomst, onze armen over elkaar, en deze combinatie stelde mij in staat om mijn hand in zijn manchet te smokkelen en zijn handpalm te aaien, en zijn pols, en zelfs zijn onderarm. Soms aaide hij me terug, maar ondanks het duister was het nooit met hetzelfde gemak als in zijn kamer, waarop een borde ‘Privé’ prijkte. Zonder dat het op dat moment ooit nodig was om deze gang van zaken onder woorden te brengen, denk ik dat we beiden begrepen dat, hoe buitengewoon, bijna mooi wat we deden ook was, dit eveneens buiten de perken ging [...]

Dit fragment uit het boek ‘Een Afgrijnselijke Daad’ van Paul Golding deed me toch eventjes glimlachen toen ik het las. Niet omdat het boek een ‘luchtig’ thema behandelt, maar wel omdat het me even deed terugdenken aan een bepaald moment, nu bijna iets meer dan anderhalf jaar geleden. Het tijdstip waarop mijn koosnaampje niet langer Gilles de la Tourette was, maar plaats maakte voor Aaien Curtis. Het startschot van heel wat mooie (en minder mooie) momenten. Een woordje van dank is hier wel op zijn plaats. Bij deze…

Trahit sua quemque voluptas

september 19, 2006

De onzekerheid van de eerste contacten, het niet kunnen inschatten van wat de ander mogelijk denkt. Een gevoel dat met woorden moeilijk uit te drukken valt, vooral tegenover van de andere. Al komt de volgende passage uit het boek Giovanni’s Room van James Baldwin wel heel erg dicht in de buurt:

“I thought she would be fun to have fun with. That was how it began, that was all it meant to me; I am not sure now, in spite of everything, that it ever really meant more than that to me. And I don’t think it ever really meant more than that to her – at least not until she made that trip to Spain and, finding herself there, alone, began to wonder, perhaps, if a lifetime of drinking and watching men was exactly what she wanted. But it was too late by that time. I was already with Giovanni. I had asked her to marry me before she went away to Spain; and she laughed and I laughed but that, somehow, all the same, made it more serious for me, and I persisted; and then she said she would have to go away and think about it. And the very last night she was here, the very last time I saw here, as she was packing her bag, I told her that I had loved her once and I made myself believe it. But I wonder if I had. I was thinking, no doubt, of our nights in bed, of the peculiar innocence and confidence which will never come again which had made those nights so delightful, so unrelated to past, present, or anything to come, so unrelated, finally, to my life since it was not necessary for me to take any but the most mechanical responsibility for them. And these nights were being acted out under a foreign sky, with no-one to watch, no penalties attached – it was this last fact which was our undoing, for nothing is more unbearable, once one has it, than freedom.”

Ik ben nooit een initiatiefnemer geweest op hét vlak waar ballen en lef je uit je ‘eenzaamheid’ kunnen sleuren, maar dit keer is het vast en zeker wél de moeite om uit mijn schelp te komen. Uiteindelijk heb ik niets te verliezen, behalve de zelf gecreëerde onzekerheid en ambiguïteit.